Onderwijs voor onze kinderen, die voor hetere vuren staan

school2
(foto: Onderwijs Vlaanderen)

Het debat over onderwijs in België en Vlaanderen gaat over hoe we de goede naam en de hoge kwaliteit van ons onderwijs moeten behouden. Kiezen we voor het Angelsaksische model, of voor een Scandinavisch model? In de PISA-onderzoeken scoren we nog steeds hoog, maar we boeren achteruit. De kloof tussen sociale groepen is een schandvlek, alsook de grote ongekwalificeerde uitstroom in het secundair onderwijs. Het onderwijs kan niet in de toekomst kijken, maar dat onze kinderen voor uitdagingen gaan staan die wij als volwassenen niet kennen –  sommigen zullen zeggen: waar wij verantwoordelijk voor zijn – lijdt geen twijfel. Dan hebben we het over de crisis van het economische model, de ecologische crisis, en de humanitaire crisissen die deze tot gevolg hebben. Socialisten moeten durven bouwen aan het onderwijs van de toekomst, waar gelijkheid en creativiteit centraal staan.

Onderwijs in België: goed, maar niet voor iedereen

Het PISA-onderzoek uit 2015 toont ons de scores die Belgische en Vlaamse leerlingen behalen op het vlak van wiskunde, wetenschap en leesvaardigheid. Voor de eerste keer werd ook getest op probleemoplossend denken. We weten dat we nog steeds tot de top behoren, vooral in Vlaanderen, maar we gaan er wel stelselmatig op achteruit. Veel leerkrachten klagen – terecht – over de achteruitgang van de lees- en schrijfvaardigheid van onze jongeren.

Nog verontrustend: de groep van beste presteerders en een grote middengroep die net boven de slechtste presteerders liggen gaan er fel op achteruit, en ook de kloof tussen leerlingen uit ASO, TSO en BSO is groot. Onder de N-VA blijven de elitescholen buiten de scope van elke hervorming, wat de kloof doet groeien. Het watervalsysteem zorgt er ook vandaag nog voor dat leerlingen al van op een vroege leeftijd in een bepaald straatje terechtkomen waar ze moeilijk uit geraken. Leerlingen van ouders met een laaggeschoolde- of migratieachtergrond komen disproportioneel vaak in de B-stroom terecht. De sociale consequenties laten zich raden: het zijn vaak deze gezinnen die met armoede worstelen. Het Belgische onderwijs bestendigt deze kloof.

Grootstad Antwerpen toont ons de nijpende problemen: meer dan een vijfde van de Antwerpse jongeren stopt met school en treedt de arbeidsmarkt binnen zonder diploma. De kinderarmoede in Antwerpen is op vijf jaar tijd gestegen van 23 naar 28 procent. Deze armoede is voor een groot stuk het gevolg van de tewerkstelling, het inkomen en het opleidingsniveau van de ouders. Het onderwijs zou hét breekijzer bij uitstek moeten zijn om deze spiraal te doorbreken.

Tot slot: ook het verschil tussen Vlaamse kinderen, en kinderen uit Brussel en Wallonië is opvallend groot. Vlaams-nationalisten zullen zich hier misschien over verkneukelen, maar voor socialisten is dit verschil niet te rechtvaardigen. Álle kinderen verdienen goed onderwijs, ook die van een andere taalgemeenschap.

De vraag is dus hoe we het onderwijs in België dus kunnen modelleren om álle kinderen te wapenen voor de toekomst. Twee stromingen bieden zich aan. Ook ter linkerzijde staan niet alle neuzen in dezelfde richting.

Angelsaksisch model: de American Dream nastreven in een wereld die sterk is veranderd

In een weekendinterview in De Standaard (van 1 september 2018) doet OESO-topman, en voormalig kabinetschef van Frank Vandenbroucke, Dirk Van Damme zijn beklag over de voornoemde PISA-resultaten. Hij wijst met de beschuldigende vinger vooral naar de beleidsmakers in het ‘middenkader’, te weten: de leerplancommissies, de inspectie, de lerarenopleiding. ‘Ze hebben het gelijkekansenbeleid fout geïnterpreteerd, door de minimumdoelstellingen in de eindtermen te herformuleren tot de na te streven lat.’

Frank Vandenbroucke vond hij een schitterende Minister van Onderwijs, en ook huidig Minister Hilde Crevits krijgt van hem ‘een onderscheiding’. Zou het nu zijn omdat Van Damme zijn minister(s) uit de wind wil zetten, maar verrassend genoeg treft hen dus geen schuld. Toch valt het niet te ontkennen dat het de politiek is die het beleid bepaalt, en zowel de kwaliteit van het onderwijs als de sociaal-economische toestand van gezinnen aanstuurt.

De onderwijshervormingen die we de afgelopen 10 jaar hebben meegemaakt zijn duidelijk politiek gestuurd, en wel op Europees niveau. Voor basis- en secundair onderwijs betekent dit besparingen op de werkingsmiddelen, grotere klassen, en toenemende werkdruk voor leerkrachten en directie. In het basisonderwijs ziet de situatie er dramatisch uit, zo zagen we onlangs nog in een Pano-reportage. Jonge leerkrachten overwerken zich, vallen uit, of stoppen na korte tijd met lesgeven. Het M-decreet betekent op het terrein dat de groepen nóg diverser worden. De leerkrachten die voorheen in het buitengewoon basisonderwijs stonden, en die voor kinderen konden zorgen met een specifieke problematiek, worden gevraagd om scholen af te schuimen om de scholen – niet de leerkrachten – te ondersteunen om om te gaan met kinderen met soms heel specifieke gedragsstoornissen. ‘Het basisonderwijs kraakt’, ‘de leraar trekt het niet meer’, zo zeggen de vakbonden in koor. Ook in het secundair onderwijs worden klasgroepen groter. Onderfinanciering betekent ook dat ouders nu zelfs voor middagtoezicht of het gebruik van de refter vaak moeten betalen.

Je mag je eindtermen dan nog zo ambitieus formuleren als je wil, als er geen middelen tegenover staan, dan gaat de kwaliteit achteruit.

Hoewel het niveau van onze leerlingen in de PISA-rankings daalt, worden hun schoolcarrières er niet bepaald relaxter op! Het onderwijs is de afgelopen decennia geëvolueerd naar een broednest voor de arbeidsmarkt. Talenkennis en creativiteit worden verdrongen door wetenschappen en ICT. De leerlingen worden niet genoeg algemeen gevormd – nochtans is dit de betekenis van het woord ‘humaniora’ – maar worden in plaats daarvan klaargestoomd door een instrumentalistisch onderwijs voor een nietsontziende, krappe arbeidsmarkt.

Net zoals wat betreft het economische en arbeidsmarktbeleid, loopt ook voor onderwijs de Europese Unie het Amerikaanse model te hard na. Dit beleid focust op prestaties, bij leerlingen en leerkrachten, bij het bevoordelen van een geprivilegieerde klasse, en op besparingen. Wereldberoemd onderwijsexpert Pasi Sahlberg legt in zijn boek Finnish Lessons 2.0 haarfijn uit hoe de opeenvolgende Amerikaanse presidenten, George Bush en Barack Obama, getracht hebben om het onderwijs in de VS te verbeteren middels liberale recepten. Het resultaat staat hen ongetwijfeld niet aan: sinds 2003 is de gemiddelde Amerikaanse student er op het vlak van wetenschappelijke en wiskundige kennis, en op het vlak van leesvaardigheid op achteruit geboerd. Het land staat nu respectievelijk op de 24ste, de 41ste en de 42ste plaats, in het geval van wiskunde onder het OESO-gemiddelde, en bijvoorbeeld onder het niveau van Canada, Ierland, Polen, Vietnam, Rusland, Australië en de Scandinavische landen.

Een onderwijs dat zich bedient van liberale recepten, bereidt zich niet voor op de toekomst. Het bestendigt en vergroot de kloof tussen arm en rijk, tussen elite en de rest, en gooit zowel leerlingen als leerkrachten te grabbel aan toenemende prestatiedruk en besparingen.

Het Vlaamse onderwijs was goed, en we moeten zeker niet het kind met het badwater weggooien, zoals andere stemmen ter linkerzijde misschien zullen opperen, maar volharden in steeds dezelfde recepten, en een ander resultaat verwachten, gaat de kwaliteit zeker niet redden, integendeel.

Het Fins model: beginnen bij het basisonderwijs om tot gelijkheid te komen

In zijn boek legt Sahlberg uit hoe het onderwijs op een andere manier kan worden hervormd. En wel om economische én ethische redenen. Dit laatste wordt vaak vergeten. Ze biedt immers een antwoord op de vraag: wat voor mensen willen we van onze kinderen maken? Willen we ze opleiden tot – weliswaar geschoolde – prooien van de arbeidsmarkt? Een arbeidsmarkt van wolven en schapen? In een dog-eat-dog-wereld?

Zeker met de economische, ecologische en vluchtelingencrisissen die zich voor onze ogen ontvouwen, moeten we ons de vraag stellen hoe de wereld van morgen er uit gaat zien. En hoe we onze kinderen hierop kunnen voorbereiden. Als socialisten weten we dat het kapitalisme op het einde van haar krachten is. Ook Thomas Piketty ziet de kloof tussen arm en rijk de komende jaren alleen maar toenemen, in een systeem dat zich niet echt gaat weten te herstellen. De klimaatcrisis maakt ons duidelijk dat we allemaal anders gaan moeten leven, maar ook: dat we onze economie grondig anders gaan moeten organiseren.

Vertaald naar de sociale realiteit: hoe maken we het voor álle kinderen mogelijk om te leren, los van hun sociale afkomst? En hoe maken we dit realiseerbaar en betaalbaar?

Sahlberg ziet de oplossing in de manier waarop Finland haar onderwijs organiseert: ‘internationale indicatoren tonen ons dat Finnen tot de best opgeleide burgers ter wereld behoren, en die onderwijsopportuniteiten voorzien op een egalitaire én efficiënte manier.’ Inderdaad, in de PISA-rankings scoort Finland steeds hoog.

Niet toevallig bedient het Finse onderwijs zich – vanaf het basis- tot het hoger onderwijs – van heel andere recepten dan het voornoemde Angelsaksische model. In tegenstelling tot in veel Westerse landen is Finland vanaf de jaren 90 van de vorige eeuw beginnen investeren in onderwijs en haar leerkrachten, en is ze een aantal ‘heilige huisjes’ beginnen afbreken. Finse leerlingen en studenten hebben veel minder te maken met stress, huiswerk en verlammende keuzes. Finse scholen hebben een grote mate van zelfstandigheid en besteden veel aandacht aan de creativiteit en het algemene welbehagen van hun kinderen. Tot slot: leerkrachten worden goed opgeleid en zijn goedbetaald, waardoor de aantrekking tot het beroep weer hoger wordt.

De economische en sociale gevolgen doet Sahlberg luidop nadenken: ‘Finland is internationaal een goede presteerder op het vlak van handel, technologie, duurzame productie, goed beleid, welvaart, gendergelijkheid en kinderwelzijn. Het doet interessante vragen ontstaan over de onderlinge relaties tussen onderwijs en andere sectoren in de maatschappij.’ En verder: ‘Het ziet ernaar uit dat andere openbare sectoren, zoals gezondheid en tewerkstelling, ook een rol spelen in langetermijnontwikkelingen op het vlak van onderwijs […].’

Een onderwijs dat kiest voor efficiëntie, creativiteit en vertrouwen vormt dus de sleutel voor beter onderwijs én een meer gelijke maatschappij.

Motivatie, creativiteit en technologie

In een bekend geworden TED-speech getiteld ‘Schools kill creativity’ zet Brits onderwijsexpert Sir Ken Robinson het huidige onderwijs compleet in haar blootje. Hij argumenteert dat het onderwijs van vandaag creativiteit de das omdoet en kinderen niet voorbereidt op de toekomst, een toekomst ‘die niemand kan voorspellen’. Ook hij bevestigt: het onderwijs richt zich te veel op het voorbereiden van kinderen en jongeren op de economische realiteit van vandaag, die er één is van werken en nog eens werken.

Het kleuter- en lager onderwijs zou kinderen geen stress mogen opleveren. Ze moeten in bescherming kunnen leren, creatief zijn en hun weg leren zoeken. Ze moeten kunnen spelen, gezond kunnen eten en zich emotioneel kunnen ontwikkelen. Het is geen toeval dat de drastische Finse onderwijshervormingen hun start hebben gemaakt in het basisonderwijs.

Het Fins basisonderwijs kenmerkt zich door kleine klasjes, hoog opgeleide leerkrachten en het gebrek aan al te volle roosters en al te veel toetsen. De leerkrachten hebben een nauwe, affectieve relatie met de kinderen. Vergelijk dit met onze jonge leerkrachten, die vaak na een tijd alweer afhaken, omdat de klassen te groot zijn of de administratieve rompslomp te zwaar is.

Wat met het (hoger) secundair onderwijs?

In het Vlaams secundair onderwijs moeten leerlingen al op hun 12de kiezen wat ze willen studeren. En zelfs ervoor wordt al over hun lot beslist, of ze naar de A-, dan wel de B-stroom gaan. Niettegenstaande de goede bedoelingen van de opeenvolgende Ministers van Onderwijs is het watervalsysteem nog steeds een realiteit, en bepaalt deze, in tegenstelling tot wat Dirk Van Damme beweert, in grote mate de levensloop van jongeren.

In het Fins onderwijs wordt gekozen voor een brede eerste cyclus. Tegenstanders zeggen dat de sterke studenten hierdoor een te grote achterstand oplopen, maar ze vergeten hierbij gemakkelijkshalve die andere kinderen die, net omwille van het watervalsysteem, hun talenten verloren zien gaan omdat ze die nooit gaan kunnen benutten. Dit soort onderwijs emancipeert niet, maar bouwt alleen voort op de geprivilegieerden.

Leerlingen die na hun 16de jaar genoeg hebben gehad van school, kunnen in Finland gaan werken, stage gaan lopen of een beroepsopleiding volgen. Op deze leeftijd kan een kind al een veel bewustere keuze maken. In de jaren daaraan voorafgaand maken scholieren kennis met zowel theoretische als praktische vakken. Met wetenschappen en talen. Met cultuur en houtbewerking. Een brede eerste graad doet precies dit: het geeft álle kinderen de mogelijkheid om met vanalles kennis te maken en een bewuste keuze te maken.

Een ander gevolg van het onderwijssysteem in Finland is dat de leerlingen die na hun 16de kiezen voor een hogere opleiding ook écht gemotiveerd zijn. Finland heeft in veel mindere mate te kampen met schooluitval of schoolmoeheid, precies om deze reden. Zij die dan doorstromen naar het voortgezet onderwijs zijn de academici, de ingenieurs, de wetenschappers, en … de leerkrachten van de toekomst.

Wij pleiten in dit alles dus helemaal niet voor het afschaffen van punten of het verlagen van de lat. Het Finse model toont hoe we het onderwijs zo kunnen hervormen dat we kinderen gelijker kunnen opvoeden, en hen de mogelijkheid kunnen bieden om op een latere leeftijd een bewustere keuze te maken. Dit is de ethische imperatief van een onderwijshervorming. De economische gevolgen van zo’n hervorming zien we ook in Finland, en liggen ver weg van het doembeeld dat rechts ons voorschotelt. De lat moet niet omlaag, maar het watervalsysteem moet weg, en het onderwijs moet de weg op van meer gelijkheid, creativiteit, motivatie en efficiëntie.

Voorstellen

  • Een deftige herfinanciering en hervorming van het secundair onderwijs, met een brede eerste graad. We beginnen in het officieel onderwijs, en trekken deze lijn door naar het vrij onderwijs. het officieel onderwijs kan als voorbeeld dienen.
  • De herwaardering van het beroep van leerkracht in het basisonderwijs, met een lesopdracht van 22 uur per week, 2 uren overleg en ruimte voor professionalisering.
  • Leerkrachten, en alle beroepen in de openbare diensten, moeten op pensioen kunnen gaan na 40 jaar. We gaan voor een volledig herstel van het statuut van ambtenaar.
  • De hervorming van de lerarenopleidingen van leerkracht in het basis- en secundair onderwijs tot volwaardige masteropleidingen, met perspectief op een job met veel zekerheid, zelfstandigheid en vertrouwen.
  • Zowel in het lager onderwijs als in het lager secundair onderwijs trachten we stress en een overload aan huiswerk te vermijden. We voorzien de tijd en de ruimte om huiswerk op school te maken. Thuis dient voor vrijetijdsbesteding en ontspanning.
  • We willen van kleinere klasgroepen en co-teaching (d.i. twee leerkrachten voor één groep) de regel maken.
  • We vervangen godsdienstvakken met het vak L.E.F. voor alle kinderen.
  • We organiseren taalprogramma’s voor de ouders van schoolgaande kinderen, in navolging van het Antwerpse KAAP-project.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s